Wie is Gods volk? 

 Hd.15:14 "een volk voor zijn naam uit de heidenen"

In de Voorhoeve vertaling staat "uit de naties" (heidenen). Het gaat kennelijk om de heidenvolken. De vraag is of dat "volk uit de heidenvolken" IsraŽl is of de Gemeente.

 

Onlangs heb ik het boekje: 'Het einde van de vervangingsleer' van Jan van Barneveld gekocht. Hierin kwam ik ook een gedeelte over deze tekst uit Handelingen tegen.(p37)Nu heb ik al in 1983 een uitgebreide briefwisseling over verbonden, IsraŽl en toekomstvisie gevoerd met een gereformeerde (vrijgemaakt) collega waarin we over deze tekst gediscussieerd hebben. In deze brieven heb ik beweerd dat dit 'volk voor zijn naam' niet de gemeente is, maar IsraŽl. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien even vreemd, maar ik zal zeggen waarom ik dat denk.

Van Barneveld schrijft dat Jacobus drie perioden onderscheidt. En de eerste daarvan zou dan de periode zijn waarin God een volk uit de heidenen verzamelt. Dit zou dan de gemeente zijn omdat gedacht wordt dat het een volk van heidenen is.Maar dan moeten we ons eerst eens afvragen of deze uitdrukking verder in de Bijbel nog meer wordt gebruikt.

Ik wil een paar teksten noemen:

Deut.10:15 "alleen aan uw vaderen heeft de HERE zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volken verkoren" en 14:2 "u heeft de HERE uitverkoren om Hem een eigen volk te zijn uit al de volken, die op de aardbodem wonen".

Jesaja 43:21 "Het volk dat Ik Mij geformeerd heb zal mijn lof verkondigen". Gods lof verkondigen, dat is voor Gods naam bezig zijn, en dat was en is een heel belangrijke taak voor IsraŽl. Vandaar: "een volk voor zijn naam".

2 SamuŽl 7:23-24: En wie is gelijk uw volk, gelijk IsraŽl, het enige volk op aarde dat God Zich tot een volk ging vrijkopen, om Zich een naam te maken, en voor hen grote en vreselijke daden te doen:voor uw land, voor het aangezicht van uw volk, dat Gij uit Egypte, uit de volken en hun goden hebt vrijgekocht? Gij hebt U uw volk IsraŽl voor altijd bevestigd tot uw volk,en Gij, HERE, waart hun tot een God. Ook hier dus IsraŽl als een volk uit de volken voor Gods naam.

EzechiŽl 36:24: Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen.

Dit thema komt in het O.T. voortdurend naar voren.

Het woord 'uit' betekent dus helemaal niet: 'bestaande uit', maar 'ertussenuit'!

In Handelingen 15:14 staat in de NBG "uit de heidenen", maar bij navraag bij een leraar Grieks is mij gebleken dat het hier ook om heidenvolken ofwel naties gaat. Het gaat dus om dezelfde uitdrukking "uit alle volken" als in Deuteronomium en EzechiŽl en SamuŽl. De vraag moet nu dus luiden, waarom mensen toch op de gedachte gekomen zijn dat het hier om de gemeente gaat. En daar zijn drie redenen voor denk ik.

 

De eerste is dus de verkeerde interpretatie van 'uit' alsof het betekent 'bestaande uit'.

 

De tweede is het woordje "daarna" waar het citaat uit Amos mee begint. Dit wordt dan betrokken op Hand. 15:14. Maar dat lijkt mij heel onlogisch. Dit woord heeft uiteraard betrekking op datgene wat voorafgaat aan Amos 9:11. En daar gaat het over de verstrooiing van het volk IsraŽl over de volken. Na deze verstrooiing komt er een keer in het lot van IsraŽl. De bedoeling van het citaat uit Amos is aan te tonen dat er al lang een volk voor Gods naam is aangenomen. Nu zou volgens de leer dat het hier om de gemeente gaat alleen het woordje 'daarna' maar betrekking hebben op 'het volk voor zijn naam' uit Hand 15:14. En verder zou er dus niets over de gemeente in het citaat staan want er wordt alleen gesproken over de vervallen hut van David en dan gaat het uiteraard over IsraŽl. Ofwel het citaat spreekt helemaal niet de gemeente. Maar dan kunnen we toch moeilijk zeggen dat de woorden der profeten hiermee overeenstemmen. De woorden der profeten hebben het immers helemaal niet over de gemeente. Maar wat zegt het citaat dan wel?

Het citaat spreekt erover dat na de verstrooiing de oprichting van de vervallen hut van David volgt. En dat is de bijeenvergadering van het volk IsraŽl, het volk voor Gods naam. Dat dit een volk voor Gods naam is blijkt uit Hand. 15:17 waar staat "opdat het overige deel der mensen de Here zoeken". Dit zoeken is een gevolg van de verkondiging door Gods volk, de weer opgerichte hut van David. Zo krijgt het citaat duidelijk betekenis.

 

De derde reden is de gedachte dat met dit 'volk voor zijn naam' bedoeld wordt de heidenen uit vers 7. Maar de vraag is wat er bedoeld wordt met het begin van Hand. 15:14 waar gesproken wordt over Simeon die uiteengezet heeft dat God van meet aan er op bedacht geweest is . . .

Wat heeft Simeon (Petrus) gezegd? In vers 7 staat dat God van de aanvang hem onder u verkoren heeft opdat door zijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. En dit is precies wat in de verzen 16 en 17 staat. Hier dus enerzijds Petrus onder u, het volk voor Gods naam, en anderzijds de heidenen die het evangelie horen. Dus ook Petrus heeft het in vers 7 over het volk voor Gods naam waar hij zelf deel van uitmaakt. En juist zijn verkondiging toont dat hij voor Gods naam bezig is. En zo blijkt dat alles heel logisch in elkaar zit in dit hoofdstuk en dat er niet maar een tekst uit het O.T. geciteerd wordt die helemaal niet aan het gestelde doel beantwoordt.

Zou de gedachte dat 'een volk voor zijn naam" de gemeente is misschien ook nog een restant van de vervangingsleer zijn?